NRC Handelsblad · Artikel

Hoe kom ik aan dat olifantengezicht?

Een voorpublicatie uit De nootjes van het huwelijk over geweld, schaamte en de zoektocht naar hulp.

Alle media en publicaties

NRC Handelsblad publiceerde een fragment uit Aysels eerdere boek De nootjes van het huwelijk. Het persoonlijke relaas beschrijft een ziekenhuisopname na ernstig huiselijk geweld en de emoties die daarbij spelen: angst, schaamte en de moeite om te vertellen wat er werkelijk is gebeurd.

De gesprekken met zorgverleners maken duidelijk hoe moeilijk het kan zijn om hulp te vragen wanneer afhankelijkheid en geweld het dagelijks leven bepalen. Een begeleidende tekst geeft achtergrond bij haar weg naar vrijheid. Deze archiefpagina vat de voorpublicatie samen; de oorspronkelijke tekst staat in het bewaarde knipsel.

Lees de oorspronkelijke publicatie als tekst

Handmatig overgenomen uit de aangeleverde scan. Regelafbrekingen binnen woorden zijn samengevoegd; historische spelling, formuleringen en gegevens zijn behouden. Dit is de tekst van de oorspronkelijke publicatie, geen actuele productinformatie. Inclusief de voorpublicatie, het biografische kader en het fotobijschrift. Het in het kader vermelde geboortejaar is een historisch brongegeven.

Volledige artikeltekst

Hoe kom ik aan dat olifantengezicht?

Aysel Çalişkan is geboren in Turkije, maar opgegroeid in Nederland. Ze schreef een boek, ‘De nootjes van het huwelijk’, over uithuwelijking, beknotting en de moeilijke weg naar zelfstandigheid. Een voorpublicatie

In de vroege ochtend van de vierde dag word ik van mijn kamertje naar een zaal gereden, nog altijd op de neurologieafdeling weet ik inmiddels. Een zaal met half verlamde en stuiptrekkende vrouwen. En ik met mijn olifantengezicht. Ik wil weg, maar ik mag pas de vijfde dag naar huis, vertelt de vriendelijke verpleegkundige.

Dat betekent dat ik nog een lange dag moet wachten.

De moeder van Şerife is er weer, in haar witte schort. Ik begrijp wel waarom ze de vorige keer zo bleek wegtrok. Deze ochtend komt ze naar me toe. Ze vraagt wat er is gebeurd. “Het valt wel mee”, stel ik haar gerust. “Ik ben tegen de wasbak aan gevallen.” Ze kijkt me aan, trekt haar wenkbrauwen op. “Het is goed mijn kind”, zegt ze. Ze loopt hoofdschuddend de kamer uit. Haar blik zet me aan het denken. Ze gelooft me niet.

Vandaag mag ik eindelijk zelf douchen, de verpleegkundige loopt met me mee. Ik kleed me uit, kijk in de spiegel. Allah, wat lelijk, het gaat niet over! Ik sta bloot in de badcel en kan mijn ogen niet meer van mijn olifantengezicht afhouden. Wat is er gebeurd? Ik kan me niet herinneren dat ik ben gevallen. Ik begin te betwijfelen of het wel gebeurd is. Zou Şerifes moeder gelijk hebben?

Terwijl ik in de spiegel kijk, probeer ik me voor de geest te halen hoe de dag verliep voordat ik werd opgenomen. Ik herinner me vaag iets van een ruzie. We zijn net verhuisd, van de ene flat vierhoog naar de andere flat vierhoog. In de vorige flat in Amsterdam-West hadden we last van junkies, in deze flat, ook in Amsterdam-West, hopen we daar vanaf te zijn. We zijn door al ons geld heen, het is geen fijne tijd. In het filmpje dat zich voor mijn ogen afspeelt, wil mijn man dat ik met hem naar de ijzerhandel ga om schroeven te kopen. Ik wil thuis blijven met de kinderen.

Daar wordt hij chagrijnig van. Hij spreekt slecht Nederlands, zegt hij. De mensen in de winkel zullen hem niet begrijpen.

Ik sta nog steeds voor de spiegel in de badcel in het ziekenhuis. Mijn spiegelbeeld is vervaagd. Ik zie hoe Neco en ik vanuit de slaapkamer de gang in lopen. Ik wil Cansu aankleden. Ze begint te huilen. “Niet huilen”, schreeuwt hij tegen haar. “Ik haat kinderen die huilen.” Driftig zegt hij dat hij zijn jongste zoon als baby op het balkon heeft gezet omdat hij zo krijste. Zijn zoon uit Turkije, de zoon van zijn andere vrouw.

Cansu begint harder te huilen, Neco wil haar slaan. Ik ga voor haar staan met mijn armen gespreid om haar te beschermen. “Het is mijn kind”, bijt ik hem toe. “Blijf van haar af.” Dan zie ik zijn hand op mijn gezicht afkomen. Ik loop achterwaarts de huiskamer in, voel hoe ik wankel. Daar houdt het filmpje op. De gang vervaagt, in de spiegel staart nog steeds een blauw, dik gezicht me aan. Mijn hele leven blijf ik een olifant. Het is benauwd in de badcel, ik wil eruit.

ERNSTIG MISHANDELD

De dokter moet weten dat ik niet tegen de wasbak ben gevallen. Ik kleed me aan, schuifel haastig naar de zaal, hijs mezelf op het hoge bed, druk op de bel en vertel de verpleegkundige dat ik de dokter wil spreken. Er komt een arts, een andere dan de eerste keer. Hij loopt voor me uit naar zijn kamertje.

“Ik wil u wat vertellen. Ik ben niet tegen een wastafel gevallen.”

“Dat weet ik”, antwoordt hij. “Je bent ernstig mishandeld.”

Ik ben te verbluft om verder te praten. Hoe kan hij dat nou weten? Hij raadt mijn gedachten. Hij is dokter, zegt hij, dus hij kan dat zien. Ik begin te huilen.

De arts vraagt of ik aangifte wil doen. Nee! Dat niet! Mijn ouders zullen woedend zijn, waarom hebben ze anders volgehouden dat ik tegen die wasbak ben gevallen? Mijn leven lang heeft mijn moeder me verteld dat mannen je liefhebben, maar je ook slaan. Ze heeft me een Turks spreekwoord geleerd: waar je man je slaat, zullen bloemen bloeien. Zelf heeft ze ook klappen gehad. Die noemt ze de nootjes van het huwelijk. Nootjes om te kraken, om op te kauwen. Ze horen erbij. Maar we mogen het niet verder vertellen. Vooral niet aan de overheid en de instanties in Nederland. Die zullen ons niet begrijpen.

Ik kijk de arts aan, ik weet niet wat ik moet zeggen. Het liefst zou ik ter plekke onzichtbaar worden. Ik schaam me omdat ik in elkaar ben geslagen.

“Je hebt nog geluk gehad dat hij je naar het ziekenhuis heeft gebracht”, zegt de arts zacht. “Je had wel dood kunnen zijn.” Hij vertelt dat mijn man op weg is naar het ziekenhuis. De arts wil met hem en mij praten. Er zal een maatschappelijk werkster bij zijn. Of ik dat goed vind. Ik vind het goed.

GRAUW BETON

Neco zit aan een tafel met een vrouw. Door het raam zie ik in de diepte een binnenplaats met struiken en sliertige bomen. Aan de overkant zie ik grauw beton en ramen van de andere afdelingen met binnen bedden en gele gordijnen.

“Zo meneer”, zegt de arts. “We weten dat u uw vrouw ernstig heeft mishandeld. Ze heeft het ons zelf verteld.”

Mijn man kijkt me hulpeloos aan. “Wat zeggen ze?” vraagt hij mij in het Turks.

“Ik heb ze verteld dat je me geslagen hebt.”

“Wat gebeurt hier?” vraagt de arts. Ik leg uit dat mijn man het niet helemaal begrijpt.

“Spreekt u Nederlands?” vraagt de arts aan mijn man. Neco wordt bleek.

“Als u langzaam praat, begrijpt hij het wel”, zeg ik.

“Uw vrouw was bijna dood”, zegt de maatschappelijk werkster tegen mijn man. “Wat zegt ze?” vraagt hij aan mij. Nu moet ik verdomme gaan vertalen dat ik bijna dood was. Neco begint te huilen. Het doet me niks. Hij mag oprotten. Iedereen is stil in de kamer.

“Uw vrouw was bijna dood”, zegt de arts weer.

“U hebt geluk”, zegt de maatschappelijk werkster, “dat uw vrouw geen aangifte wil doen.”

Weer moet ik het vertalen. Neco schrikt. Aangifte? Hij wist niet dat je voor zoiets naar de politie kon gaan.

“Wilt u erover praten?” vraagt de maatschappelijk werkster.

“Nee.” Neco kijkt naar de tafel.

“Ik wil toch weten waarom u geslagen heeft”, zegt ze. Neco kijkt me vragend aan. “Ze wil weten waarom je me geslagen hebt”, zeg ik in het Turks. “Vertel haar maar dat ik niet weet waarom”, antwoordt hij. “Ik was zó kwaad.”

“Als uw vrouw hier weer komt met deze klachten, doen we aangifte”, zegt de arts dreigend.

“Deze keer laten ze je gaan”, vertaal ik. “De volgende keer gaan ze naar de politie en kom je in de gevangenis.” Het laatste verzin ik er zelf bij. Het gesprek is afgelopen. Ik loop naar mijn kamer, heb geen zin om iets tegen Neco te zeggen. Zelf zegt hij ook niks. Hij gaat naar huis.

In bed verveel ik me, de gele gordijnen komen op me af, alsof het ijzeren gevaarte instort en ik eronder kom te liggen. Ik wil naar de kinderen, ik heb Özkan (mijn zoontje van acht maanden) al zo lang niet gezien. Stel je voor dat ik dood was geweest. Dan had hij maar één keer in zijn leven Anne tegen me gezegd.

(Anne, uitgesproken als ‘annèh’, is Turks voor ‘mama’; Cansu wordt uitgesproken als Dzjansoe; Neco wordt uitgesproken als Nedzjo)

Aysel Çalişkan, De nootjes van het huwelijk, uitgeverij Thoeris, 2006

Uitgelichte tekst: Waar je man je slaat, zullen bloemen bloeien, luidt een Turks spreekwoord.

Uitgelichte tekst: ‘Spreekt u Nederlands?’ vraagt de arts aan mijn man.

Fotobijschrift: PRETTY IN PINK: De jurk was mooi, het huwelijk een ramp: Aysel in haar Turkse bruidstoilet.

Aysel Çalişkan: van opgesloten huissloof tot vrije vrouw

In het geboortedorp van Aysel Çalişkan (1973) in Turkije waren in de jaren zeventig de taken duidelijk verdeeld. De mannen zaten de hele dag te roken in het koffiehuis, de vrouwen werkten op het land en deden het huishouden. In het moderne Nederland, waar haar vader behoorde tot de eerste generatie gastarbeiders, verruilde de driejarige Aysel haar aardappelpop en de dorpspomp voor een betonnen flat. Alleen door de balustrade van het balkon kon ze het gras nog zien. Ze voelde zich opgesloten in dit vreemde land, waarvan ze geen deel uitmaakte.

Tien jaar later werd ze teruggestuurd om te worden uitgehuwelijkt. Opnieuw werd ze opgesloten, dit keer letterlijk – door haar schoonouders. Toen Aysel na een hachelijke anderhalf jaar weer terugkwam in Nederland, wachtte haar een nieuwe poging tot uithuwelijking en de zorg voor haar gehandicapte, agressieve broer. Geen enkele instelling hield het met hem uit, maar hij was Aysel dierbaar.

Zelf mocht Aysel van haar ouders al snel niet meer naar school, dat zou haar maar op slechte gedachten brengen. De verstikkende beknotting en de dreigende uithuwelijking dreven haar op haar zeventiende in de armen van een tweede echtgenoot. Die ontpopte zich van een aanvankelijk huilende aanbidder tot een agressieve dwingeland die er een geheim leven op nahield.

Aysel Çalişkan is nu een geëmancipeerde islamitische vrouw die meermalen prijzen heeft gewonnen voor haar werk met verstandelijk gehandicapte allochtonen. Haar geluk en zelfstandigheid heeft ze zwaar moeten bevechten. Meer dan eens heeft ze haar strijd bijna met de dood moeten bekopen. Via internet ontmoette Aysel haar huidige, Turkse echtgenoot die haar steunt in haar werk, haar strijd en de zorg voor de kinderen.

Bekijk de oorspronkelijke publicatie

Aysel Disbudak in NRC Handelsblad
Voorpublicatie uit De nootjes van het huwelijk (Thoeris, 2006). De datum van het NRC-knipsel is niet zichtbaar.

Open de volledige scan van NRC Handelsblad

Deze archiefpagina geeft een samenvatting van het aangeleverde bronmateriaal. De oorspronkelijke scan of afbeelding blijft beschikbaar. Prijzen, adressen en boekgegevens in historische publicaties kunnen verschillen van de huidige gegevens.

Terug naar het media-archief

Het gesprek gaat verder.

Blijf verbonden met Aysel.

Nieuws van Aysel

Ontvang 15% korting op het boek.

Meld je aan voor de nieuwsbrief van Aysel en ontvang na bevestiging 15% korting op het losse boek (Regular). De korting geldt niet voor verzending.

Je ontvangt eerst een e-mail om je aanmelding te bevestigen. Afmelden kan via de link in iedere nieuwsbrief.

Afbeelding uit het archief

Boekteaser

Bekijk de boekteaser van Aysel.

Door te laden maak je verbinding met Vimeo. Deze aanbieder ontvangt onder andere je IP-adres.

Video rechtstreeks openen

Ondertiteling bij deze externe Vimeo-video kon nog niet worden gecontroleerd. Je kunt op deze website ook de boekteaser met Nederlandse conceptondertiteling en transcript bekijken.

Het gesigneerde boek € 32,50Bestellen